Uittocht uit de publieke sector – weg met de marktaanpak

Op vele plaatsen was de afgelopen dagen aandacht voor de – nu blijkbaar snel naderende – uittocht uit de publieke sector, bijvoorbeeld hier op P&O-Actueel. Rond 2020 is 70% van het personeel vertrokken, is de voorspelling. Aan de basis van deze voorspelling ligt een rapport van BZK, De grote uittocht. Bijna tien jaar geleden hadden we – over hetzelfde onderwerp – ook zo’n rapport, het rapport-Van Rijn.

Zou dit nieuwe rapport iets toevoegen?

“De hoop daarop heeft mij allengs begeven”, zei Marsman in 1930 en dat geldt helaas ook voor een positief antwoord op deze vraag. In 2001 lazen we: “Het gevaar bestaat dat de publieke dienstverlening waarop de burger moet kunnen rekenen zonder nadere maatregelen onvoldoende kan worden gegarandeerd”. In 2010 staat er: “Hiermee staat de continuïteit en de kwaliteit van het onderwijs en van overheidsdiensten onder druk”. Er ligt wat meer nadruk op het onderwijs, maar verder is het verhaal hetzelfde.

Wrange vruchten

De overheid heeft altijd al de wrange vruchten geplukt van een beleid dat gebaseerd is op vertraagd-reageren-op-economische-ontwikkelingen én op (gebrek aan) politieke keuzes. Zowel het rapport uit 2001 als het meest recente laat dat zien: “Daarnaast heeft de overheid, als gevolg van afslankingsbeleid, veelvuldig verplichtingenstops ingesteld, zich onder meer uitend in wervingsstops, en is de behoefte aan nieuw personeel beperkt geweest” (2001) en: “Bezuinigingen die leiden tot minder ruimte voor loonsverhogingen, maken het lastiger voor publieke werkgevers concurrerend te blijven op de arbeidsmarkt en verergeren dreigende personeelstekorten” (2010). De oplossingen lijken ook op elkaar, zowel wat de inhoud betreft als de omzichtigheid waarmee ze gebracht worden: “Het is daarom van belang om nu te investeren in een krachtdadige, aantrekkelijke en productieve collectieve sector. Daarbij kan een versterking van de arbeidsmarktpositie gepaard gaan met een verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening en verhoging van de productiviteit” (2001). In 2010 worden ongeveer dezelfde slagen om de arm gehouden: “Het resultaat kan zijn dat in 2020 de publieke sector als geheel kleiner en slimmer is georganiseerd, met gekwalificeerde en gemotiveerde mensen, die lang, gezond en met veel arbeidsvreugde werken”. Voor ‘definitieve oplossingen’ wordt nu een beroep gedaan op de sectoren. Maar opnieuw wordt er ingezet op ‘een productieve collectieve sector’, ofwel: meer werk met minder mensen en voor minder geld. Want het budget is krap, de arbeidsmarkt straks ook en als werkgever is de overheid niet aantrekkelijk genoeg.

Een zichtbare overheid

Was er in 2001 al sprake van een zekere urgentie, in 2010 is die alleen nog maar groter. Is er dan niets gebeurd in de tussentijd? Jawel, maar niet wat er had moeten gebeuren. Geen fundamentele aanpassing van de rechtsposities, te weinig initiatieven die medewerkers persoonlijk uitdagen en (te) weinig sturing op de samenstelling van het totale personeelsbestand. De vacaturestops – zeker de langduriger exemplaren van de jaren negentig – zie je terug in de leeftijdsopbouw. Naast een oververtegenwoordiging in de hogere leeftijdsgroepen, zit er een ‘dip’ in de middengroepen, de groepen waaruit het kader moet komen dat straks die zeven-van-de-tien moet vervangen. Daar is de keuze dus relatief beperkt, wat zichtbaar zal zijn in een afname van de kwaliteit over de hele linie. Deze groep trek je ook niet zomaar uit de markt. Daarnaast is de betrokkenheid van de gemiddelde Nederlander bij het reilen en zeilen van het land de afgelopen jaren niet erg toegenomen, of het zou in mopperende zin moeten zijn door stemgedrag of op één van de vele – meestal online – fora die dit land rijk is. Het wordt dus geen makkelijke zaak om de kwaliteit op peil te houden.

Maar voor de overheid is een ‘marktachtige’ aanpak – gericht op salaris, verhoging van de productiviteit,  centralisatie en schaalvergroting, grote (arbeidsmarkt)campagnes – niet de koninklijke weg om de dienstverlening en/of het personeelsbestand kwalitatief en kwantitatief op peil te houden. Hoe dan wel? Met meer individuele uitdaging, prikkeling door een andere rechtspositie, het werk (nog) dichter bij mensen brengen, in gesprek gaan, de eigen verantwoordelijkheid vergroten, gebruik maken van online mogelijkheden… Zeg maar: het verkleinen van de veiligheid en het vergroten van de zichtbaarheid en transparantie. Daarmee is meer te winnen dan met meer van hetzelfde en weer een rapport van 154 pagina’s. Dat er overigens erg mooi uitziet.

Tot slot

En tot slot, omdat het hierboven deels geciteerde gedicht van Hendrik Marsman zo mooi is, als toegift nog een keer in z’n geheel.

Berusting

Tussen dit ogenblik en mijn dood

ligt misschien een lang leven;

ook een groot?

de hoop daarop heeft mij allengs begeven;

maar is groot of klein niet om het even

voor wie gelooft dat wij pas met den dood

gaan leven?