In eigen vlees snijden – au

Het is verkiezingstijd en de bezuinigingen op ambtenaren vliegen ons weer om de oren. Minder daarvan! Miljarden bezuinigen! Hetzelfde geldt voor de inmiddels nogal uitgekauwde vergelijkingen met kalkoenen die het kerstdiner niet moeten samenstellen en zo. En inderdaad hoorde ik persoonlijk ooit een directeur-generaal zeggen: “Wij snijden niet in eigen vlees”. Gore vergelijking. Daarom doe ik er ook een goor plaatje bij, met excuses aan alle vegetariërs.

Meestal is zo’n uitspraak een aanwijzing dat er – in elk geval was dat de mening van deze DG – best flink bezuinigd kan worden op allerlei ondersteunende taken, maar dat er bij de beleidskern inmiddels geen onsje meer vanaf kan. HR, ICT, facilitaire diensten; deze worden blijkbaar gezien als ‘wild vlees’ dat je maar het beste kunt wegsnijden. Het begint allemaal een beetje op een vastgelopen langspeelplaat te lijken, als de jonge lezers tenminste weten wat er met zo’n ding bedoeld wordt. Maar goed.

Zaterdag stond er in de Volkskrant een artikel waarin werd uitgelegd dat bezuinigen op ambtenaren ‘hondsmoeilijk’ is. Het komt erop neer dat wat je aan de ene kant wegbezuinigt, er aan de andere kant weer net zo hard bij komt, in de vorm van uitkeringen, extra toelagen om ervoor te zorgen dat mensen niet ‘weglopen naar het bedrijfsleven’ (alsof er momenteel zoveel is om naar weg te lopen) of aan het inhuren van externe consultants. Wat dat laatste betreft, was er ook weer het bericht dat het Rijk hooguit 10% van het personeel extern mag inhuren. Dus: er moeten mensen weg die het werk in vaste dienst doen en er mag ook niemand voor in de plaats komen om het vervolgens in flexibel verband te doen.

Verpesten

De Engelsen hebben daar een mooie uitdrukking voor: “You can’t have the cake and eat it”. Of je doet het werk zelf en zanikt dan niet (teveel) over kosten of aantal ambtenaren óf je richt je organisatie zo in, dat er met een effectieve combinatie van eigen mensen en ingehuurde deskundigen een overheid ontstaat die de z’n zaakjes voor elkaar heeft. Waarbij wel een onderscheid gemaakt moet worden in wát je dan inhuurt. Dure interim-managers – die werk doen dat eigenlijk door medewerkers uit de organisatie zelf gedaan moet worden en dat tegen bedragen op de factuur die het salaris van de minister-president ver te boven gaan – beïnvloeden al jaren het imago van de interim- en flexibele markt. Het is jammer dat zij vooral het beeld bepalen van ‘doorgeschoten inhuur’, want ze verpesten het voor degenen die vanuit hun werkkracht, kennis en/of ervaring prima een (tijdelijke en duidelijk omschreven) bijdrage kunnen leveren aan het reilen en zeilen en die er bovendien een schappelijker uurtarief op nahouden. Denk aan: uitzendkrachten of specifieke deskundigen voor korte, effectieve interventies. Omdat een klein deel blijkbaar niet in staat is om duidelijk te maken wat hun concrete bijdrage is, maar er wel heel veel geld voor vraagt, krijgt een ander – groter – deel niet de kans om te laten zien dat ze toegevoegde waarde hebben.

Als het stomme paniekvoetbal en het onterecht lonken van mogelijke miljardenbezuinigingen nu eens achterwege wordt gelaten en er eens goed gekeken wordt naar wát die overheid moet doen, op welke manier en tegen welke kosten, zouden we daar met z’n allen veel plezier van kunnen hebben. Maar zolang het bij schaven blijft en het zoeken van zondebokken bij de ‘extern ingehuurde consultants’ komen we er natuurlijk nooit.