Alfa vs. Fiat

Drie weken rij ik nu rond in de Fiat. Na bijna twee jaar Alfa opnieuw een Italiaan (maar dat wist ik van te voren; het zou natúúrlijk weer een Italiaan worden). Drie weken; da’s een mooi moment voor wat eerste indrukken.

Iedereen die vraagt of ‘de nieuwe auto’ me bevalt, krijgt hetzelfde antwoord: “Het is héél anders”. Ze zeggen dat je pas kunt autorijden als je ooit in een Alfa hebt gereden. Dat klopt, het is een bijzondere ervaring. Een Alfa maakt je soms razend, laat je bij voorkeur op het meest ongelegen moment in de steek, maar áls hij rijdt… Dan kan er niets tegenop. Je verveelt je geen moment. Al was het alleen maar omdat je bij een Alfa – veel meer dan bij andere auto’s – het idee hebt dat je echt met z’n tweeën aan het werk bent, in plaats van dat de auto rijdt en dat je voor de vorm nog een beetje aan het stuur mag draaien. Dat schept een band en op de een of andere manier gaat zo’n ding in je hart zitten.

Liefde

Aan de andere kant… De liefde voor een auto – zelfs voor een Alfa – is echt wel van het ene op het andere moment over als hij je zo dramatisch, onherroepelijk en onrepareerbaar in de steek laat. En het heeft ook wel wat om weer een stapje te stijgen op de auto-evolutieladder – zuinige motor, dualdrive, stabiliteitsprogramma’s die je aan en uit kunt zetten, een boordcomputer die wél de waarheid spreekt, gekoeld vakje, tafeltjes en een skiluik; alles deugt, geen onverklaarbare rammeltjes en piepjes, het is zeer comfortabel en praktisch, het ziet er weer eigenzinnig uit en ik ben echt blij met ‘m. Maar, maar…

Ik mis de Alfa dus niet. En ik mis de Alfa toch ook wel.

Reacties zijn gesloten.