Hoogopgeleid? Lekker thuisblijven

Een bemoedigend bericht vorige week op nu.nl: de (negatieve) invloed van werkende moeders op de prestaties van hun kinderen is beperkt. “Kinderen waarvan de moeder binnen drie jaar na geboorte weer aan het werk gaat, doen het later niet per se minder goed op school dan kinderen waarvan de moeder langer thuisblijft”.

Nou, dat lucht op. Dáár hoeven we ons als werkende moeders tenminste niet schuldig over te voelen. Als je op dit punt stopt met lezen, tenminste. Want verderop in het artikel komen er – smullen voor deze pedagoog – wel wat apen uit de mouw.

Er is namelijk een verschil zichtbaar tussen moeders uit verschillende sociale klassen en/of gezinsstructuren. De gevolgen zijn vooral beperkt bij moeders uit lagere sociale klassen en bij eenoudergezinnen. ”Bij kinderen uit hogere sociale klassen constateren de onderzoekers meer gedragsproblemen als de moeder al binnen een jaar na geboorte aan het werk ging”.

Dat heeft – in elk geval bij mij – iets contra-intuïtiefs. Kinderen uit lagere sociale klassen doen het door de bank genomen op school minder goed en ook eenoudergezinnen staan er meestal niet zo goed op. Volgens de onderzoekers kunnen er twee redenen zijn voor deze constatering: ”Children in poorer families may benefit more from having a working mother because the added income helps to reduce the child’s stress and leads to more opportunities. In addition, the mothers become positive role models for their children”. In middenklasse- of twee-oudergezinnen is de noodzaak voor financiële bijdragen wat minder groot: “For these familes, it’s possible that alternate care arrangements may not be as emotionally supportive als the child’s mother”.

Kinderopvang

Ik heb het hele weekend de tijd gehad om het onderzoek te lezen en de conclusies op  me te laten inwerken. Kinderen uit armere en/of eenoudergezinnen zijn beter af als hun moeder het eerste jaar niet in de buurt is. Kinderen uit midden- of hogere-klassegezinnen zijn beter af als hun moeder het eerste jaar wel in de buurt is. Deels heeft dat dus met inkomen te maken, maar deels blijkbaar ook met opvoedkundige vaardigheden. De professionele kinderopvang doet het beter dan ‘arme’ moeders, maar minder goed dat ‘bemiddelde’ moeders.
Een beter pleidooi voor ophouden met bezuinigen op kinderopvang kan ik me niet voorstellen. Helemaal als je ziet dat onderzoek óók aantoont dat kwalitatief goede kinderopvang gepaard gaat met een betere cognitieve ontwikkeling en betere sociale vaardigheden. Kansen voor iedereen! Gezien de toekomstige vraag op de arbeidsmarkt – alle hens aan dek en allemaal aan het werk de komende dertig jaar – zijn we dus onze eigen toekomst én die van onze kinderen aan het verknallen als de kinderopvang sluitpost op de begroting wordt. Dus: niet op bezuinigen en als de drommel aan de slag voor het (verder) verhogen van de kwaliteit.

Reacties zijn gesloten.