Afzien

Afgelopen woensdagavond vertrok de oudste naar het winterkamp van school. We hadden daarvoor weliswaar getraind, maar het is de vraag of je je echt voldoende kunt voorbereiden op twee dagmarsen van samen 65 kilometer met een rugzak van een kilo of zes, zeven op je rug. Waarvan één dag ook nog in de stromende regen.

Gisteravond kwamen ze weer thuis. ‘Tussen zes en acht’, zei de school. Uit voorzorg was ik er om kwart voor zeven. De school was open en in de hoop een kop koffie te kunnen scoren, ging ik naar binnen en kon meteen assisteren bij het uithangen van de totaal verzopen tenten, die die middag al waren aangekomen. Om half acht stonden we langs de straat.

In de verte naderde een witte bus. “Daar zit mijn kind in”, dacht ik. “Die het de afgelopen dagen heel zwaar heeft gehad”. En ik kreeg tranen in m’n ogen. Ik zag de groep uitstappen en zei quasi-opgewekt tegen de moeder naast me: “Nou, ze kunnen in elk geval nog lopen”. Lopen bleek vervolgens een betrekkelijk begrip – als een stel ouwe heren strompelde iedereen de bus uit. Daar stond m’n kanjer! De doorweekte rugzak ging in de kofferbak, nog snel een chocomel en stroopwafel in de kantine en op naar huis.

Opgelapt

Terwijl hij in bad lag, hing ik de natte spullen uit. In een joggingbroek lag hij vervolgens met de iPad op de bank. Wilde niks eten. En vertrok binnen de kortste keren richting bed. Want het was echt zwaar en ze hebben echt heel erg moeten afzien. Vanmorgen liep hij nog steeds als een ouwe vent. En die blaren zijn ook niet zomaar weg. Maar veel wordt goedgemaakt door de terugkeer van de laptop, die uit de dood is opgestaan en fris, fruitig en razendsnel weer was afgeleverd. Hij ging meteen enthousiast aan de slag om alle verloren gegane games er weer op te zetten (leve de cloud). “Eerst de virusscanner er weer op!”, riep ik, want daar ben ik streng in. Ach, het zal niet lang duren of hij is – in navolging van z’n laptop – zelf ook weer opgelapt.

En ik? Ik ben mateloos trots. 65 kilometer! Met bepakking! In de regen!