Stomme poes

Ik heb een poes. En een dakgoot. Over het algemeen gaan die twee goed samen. Eens in de zoveel tijd klimt Ewa naar buiten voor een wandelingetje, om lekker in de zon te liggen of om te bekijken of er ergens een raam open staat waarachter zich misschien een gevuld etensbakje bevindt. Ik sloeg er dan ook geen acht op toen ik haar vanmorgen weer door het raam zag wippen, de dakgoot in.

Tot ik een ijselijk geluid hoorde. Ik draaide me om en zag Ewa nog net ruggelings over de rand verdwijnen. Het ijselijke geluid werd veroorzaakt door nageltjes die zich vergeefs probeerden vast te klampen aan het zink. “De poes is naar beneden gelazerd!”, riep ik naar de jongens, waarvan er één op het punt stond naar school te gaan en de ander nog in bed lag – proefwerkweek, hoe lui kun je ’t hebben. Ik stormde de trap af.

Plat hoopje

In de vrees de poes als een plat hoopje op de stoep aan te treffen, deed ik de deur open. Ewa schoot naar binnen. “Ze kan in elk geval nog lopen”, dacht ik. Maar dat lopen was betrekkelijk; met één van haar achterpootjes was ze héél voorzichtig. Ze moest vijf keer proberen om gewoon op haar kont te gaan zitten. En ze keek – voor de onverschrokken poes die ze normaal gesproken is – best gestresst. Dus belde ik de dierenarts.

’s Middags mochten we langskomen. Ewa werd aan alle kanten onderzocht: kaak – check; voorpoten – check; ribben en rug – check; achterpoten – ch…! Ik zag haar iets doen wat ik nog nooit eerder heb gezien: blazen. “Ah”, zei de dierenarts. “Er is niets gebroken, maar ze heeft wel een spiertrauma in haar achterpoot”. Mooi woord, spiertrauma en het klonk – gezien de omstandigheden – redelijk geruststellend. Met een injectie tegen de pijn en druppeltjes voor de rest van de week, konden we weer op huis aan.

Waar mevrouw de trap opliep om met gekneusde poot en al gewoon wéér in de dakgoot te klimmen. Ze vrat haar bak leeg als vanouds. Ging weer aan de zwier via de schutting. Maar we zullen de komende dagen een beetje op haar letten en het raam voorlopig dichthouden. Ik zit niet op nog zo’n hartverzakking te wachten.