Games en communiceren met een omweg

Een groot deel van de week heb ik twee puberjongens in huis. En zoals dat gaat met puberjongens anno nu: die zijn dol op gamen – soms denk ik: misschien wel een beetje té dol. Bijvoorbeeld als ik op m’n strepen moet gaan staan om m’n – nota bene eigen – laptop terug te krijgen, die in gebruik is voor Minecraft, omdat-ie zo’n goede processor heeft. Dat spelen ze dan online, met óf tegen elkaar (het onderscheid is niet altijd duidelijk).

Het spelen van dergelijke online games gaat gepaard met de nodige, eh, communicatie. Zoals daar zijn: “Check ff je inventory”, “Laat me dan even level 13 halen, muts!” of “Als je het zwaard van Aragorn kunt nakken”. Soms met iets te vaak het woord ‘f…ing’ erin. Het is een mengeling van Nederlands, Engels, game-taal en nog een aantal andere talen waarvan de herkomst me niet duidelijk is en waarvan ik me afvraag of ze dat opdoen op dat keurige gymnasium of op een plek waar ik geen weet van heb. Maar het kan nóg bizarder.

Games geven namelijk ook de mogelijkheid om online met elkaar te communiceren, via de chat. En dan doet zich de merkwaardige situatie voor dat twee jongens, die zich in dezelfde ruimte bevinden en hooguit drie meter van elkaar verwijderd zijn, typend met elkaar in gesprek zijn. Op dat moment gaat mijn fantasie op de loop.

Wit-Rusland

Want één van de twee typt iets in, bijvoorbeeld “Yo, bro!”. Dat bericht gaat draadloos naar de router, die het – over koper of glasvezel of wat dan ook – naar het internet exchange punt stuurt, in Amsterdam of ergens in Flevoland, daar heb ik verder geen idee van. Vervolgens gaat de – tegen die tijd ook nog in stukjes gehakte – boodschap langs allerlei andere knooppunten richting de server van de game-exploitant, die waarschijnlijk ergens in Wit-Rusland staat, wegens de lage kosten of omdat daar weinig problemen zijn met de koeling. Die server knutselt het bericht weer aan elkaar en stuurt het naar de ontvanger, via wéér allerlei knooppunten, tot het terugkomt bij de router hier in huis die het draadloos aflevert bij een computer die – zoals gezegd – hemelsbreed drie meter is verwijderd van de zendende computer. De gebruiker van de ontvangende computer stuurt dan een bericht terug. Dat is zo mogelijk nog korter, denk aan: “Yo” en dat bericht legt dezelfde weg af, maar dan in omgekeerde volgorde. Ik denk dan: dit hadden jullie net zo makkelijk even kunnen zeggen.

Maar wat ik vooral fascinerend vind, is dat het versturen van de conversatie over het internet en het zeggen van de woorden in de fysieke ruimte ongeveer even veel tijd in beslag nemen. Terwijl de bits en bytes misschien wel tienduizend kilometer hebben afgelegd. Dan krijg ik écht bewondering voor dat internet.