Vakantie

Begin januari besloten een vriendin en ik dat we een weekje weg wilden naar een plek waar het gegarandeerd zonnig was, minimaal 20 graden en waar wij helemaal niets zelf hoefden te doen. Aangezien Egypte om voor de hand liggende redenen niet zo’n goed idee leek, viel de keus op een all inclusive resort met twee zwembaden, wellness-faciliteiten en uitzicht op zee op een Canarisch Eiland. Gran Canaria.

Ik had daar zelf vantevoren een bepaald beeld bij, namelijk dat van een volkomen verknald eiland en de aanwezigheid van een bepaald type toerist. Dat bleek uiteindelijk niet te kloppen. Tenminste, niet helemaal.

Om te beginnen: drie dingen hebben ze daar – mogelijk door schade en schande, maar niettemin – heel goed begrepen:

  • Stop de toeristen weg in centra langs de kust en laat het binnenland onaangeroerd.
  • Maak perfecte wegen en een up-to-date vliegveld die beide zijn gebouwd op de vlotst mogelijke doorstroming van zoveel mogelijk mensen.
  • Hou ze bezig: zorg dat er de hele dag door eten en drinken is en regel voor de niet-eetmomenten een ‘animaçion’.

Een bijzondere biotoop

Het resort bleek – na wat toch wel een roteind vliegen was, gevolgd door een dodenrit per minibus, het was inmiddels donker, het is er nogal bergachtig en de wegen lopen soms vlak langs duizelingwekkende afgronden – een in een kloof gelegen gigantisch hotel te zijn, met meer dan 400 kamers, een restaurant voor 620 personen en honderden ligstoelen langs de zwembaden. Een vakantiefabriek. Aan onze kant van de kloof lagen er drie en aan de overkant nog vijf. De negende was in aanbouw. Dat viel nog mee, want er waren ook kloven met meer hotels dan ik in de gauwigheid kon tellen.

Zo’n oord vormt een unieke biotoop. De bewoners ervan komen voor in twee hoofdsoorten: echtparen op leeftijd – veelal zwijgend boven hun sangria – en gezinnen met kids, van Engelse kleintjes die “mummy, mummy!” schreeuwend het restaurant op stelten zetten, tot Duitse pubers die het overduidelijk ‘ganz nicht cool’ vinden om met hun ouders op vakantie te zijn. En zeker niet dáár. Maar ja.

Daarnaast komt er het een en ander voor aan ‘gemischter Allerlei’, zoals een koppel dat – kon niet anders – elkaar via relatieplanet-punkt-de had leren kennen, drie Italiaanse dames, waarvan er één blind was en die ontroerend liefdevol door haar vriendinnen werd begeleid en wij tweeën, die altijd een tafeltje bij de deur wilden opdat niets en niemand in deze wonderlijke ecologie ons zou ontgaan. En er viel nogal wat waar te nemen. De mannen – vooral die op leeftijd – liggen als zeeolifanten bij het zwembad, hebben al heel lang niets meer aan zichzelf gedaan en zij beleven het toppunt van vakantie in hun gekreukelde bermuda met verwassen polo en Birkenstocks (met sokken). Hun vrouwen zijn er blijkbaar eindelijk eens uit en hebben daarom juist weer erg hun best gedaan. Dat pakt vaak hilarisch uit, variërend van molenpaarden in glitterblouses tot doorsneetypes met verstandige kapsels in ‘sexy’ jurkjes die in bijna alle gevallen beter een maatje groter hadden kunnen zijn. Een beetje triest ook wel, deze vorm van visuele milieuvervuiling met een soms droevig makend gebrek aan smaak, originaliteit of afwisseling. Afwijkingen worden bovendien subiet uit het nest gegooid, getuige het gezin met een heen en weer springend autistisch kind dat zich na twee dagen van afkeurende blikken niet meer in de eetzaal vertoonde.

Beschaving

De biotoop brengt in al zijn beslotenheid onbarmhartig de menselijke aard boven. Dat is vooral goed zichtbaar bij de maaltijden. Daarvan zijn er in dergelijke oorden drie per dag, plus de mogelijkheid om de hele dag door hamburgers en hot dogs te nuttigen. “Het is toch crisis?” zeiden wij. Het leek er niet op; honger is überhaupt een niet bestaand begrip daar, met meerdere uitbundige en enorme buffetten – we konden er met z’n zeshonderdtwintigen bijna tegelijk omheen staan. Maar om de een of andere reden lopen velen toch met een chagrijnig gezicht rond, alsof ze niet op vakantie zijn, maar in een strijd op leven en dood zijn verwikkeld en waarbij de buurman ieder moment je eten kan roven. Stop veel mensen bij elkaar en ze zijn meteen bang dat ze tekort komen.

Na drie dagen op achterafplekjes aan het zwembad – want we waren te belazerd om elke ochtend om zeven uur naar beneden te gaan om met behulp van een handdoek een ligstoel op een goede plek te ‘reserveren’ – huurden we (doe eens gek) een cabriolet en verlieten het oord.

En zagen de andere kant van het eiland. We reden langs diepe afgronden, met een tegen de rotsen klotsende Atlantische Oceaan. We zagen woeste bergen, kaal, maar waar zich toch nog vegetatie op had weten vast te zetten, want het leven is vindingrijk en hardnekkig. Prachtige havenstadjes en indrukwekkende vergezichten. ‘s Middags konden we met een bezoek aan de stad Las Palmas – vier keer zo groot als Leiden – en de kosmopolitische Avenida José Mesa y Lopez ook nog wat ‘beschaving’ opdoen, niet in het minst overigens door de zes verdiepingen van El Corte Inglès.

Het is ernstig dat mijn Spaans de afgelopen week niet verder is gekomen dan “Ola”, “Dos agua” en “Café con leche”, en ik bovendien de helft van de tijd nog per ongeluk Italiaans of Frans sprak ook. Maar het heerlijke weer, het dolce far niente, de zes gelezen boeken – ik weet nu alles van WikiLeaks – het bestuderen van – en vooral: me verbazen over – de toeristenpopulatie én de onverwachte en overdonderende schoonheid van deze plek op aarde maakten het tot een heerlijke week. Ik zou zo weer gaan.